Boonstra, Nynke

Ervaringen en behoeften in farmaceutische zorg van mensen behandeld voor psychosen

Inleiding:
De ondersteuning van mensen met psychosen is multidisciplinair vanwege de impact op verschillende leefgebieden zoals wonen, werk en gezondheid.
Zorg met geneesmiddelen (farmaceutische zorg) bij psychose en lichamelijke problemen zijn hier vaak onderdeel van. Bij farmaceutische zorg zijn verschillende zorgverleners betrokken, zoals GGZ-professionals en medewerkers van de apotheek.  Vanuit literatuur en praktijk weten we dat voor mensen behandeld voor psychose geneesmiddelgebruik uitdagend kan zijn en verwachten dat hierbij verbeteringen mogelijk zijn. Goede farmaceutische zorg (o.a. begeleiding) is daarbij essentieel en dit onderzoek richt zich op ervaringen en behoeften van patiënten rond deze zorg.

Doel:
Het doel van deze studie is om de ervaringen en behoeften in farmaceutische zorg van mensen behandeld voor psychose te beschrijven.
Uiteindelijk beogen we aanbevelingen te kunnen doen voor verbetering van farmaceutische zorg vanuit het patiëntenperspectief. Dit kan ook richting bieden voor vervolgonderzoek naar verbetering van farmaceutische zorg in de praktijk.

Vraagstelling:
Wat zijn ervaringen en behoeften in farmaceutische zorg van mensen die ambulant behandeld worden voor psychose? 

Methode:
We doen kwalitatief onderzoek met semigestructureerd individuele interviews met mensen die behandeld worden voor psychose. Met een tijdslijn die we samen met de patiënt tekenen kijken we welke momenten of perioden rond geneesmiddelgebruik die de persoon zich goed herinnert. We kiezen dan samen enkele momenten en bespreken welke zorgverleners er bij betrokken waren en hoe de persoon hun zorg heeft ervaren. Dit helpt om over concrete momenten te spreken om zo hun ervaringen en behoeften rond farmaceutische zorg te beschrijven.

Een waardige blik op oogcontact bij volwassenen met ASS

Achtergrond
Oogcontact is in zijn algemeenheid een fundamentele communicatievorm bij zowel mensen en dieren, waar het bij mensen mogelijk nog van groter belang is, gezien de grotere hoeveelheid zichtbare witte sclera. Veronderstelling is dat bij volwassenen met ASS dit oogcontact 'atypisch' verloopt, in de DSM-5 een 'abnormaliteit' genoemd. Ondanks decennia lang internationaal onderzoek naar het 'atypische' van het oogcontact bij volwassenen met ASS, is tot op heden nog niet tot een afdoende bepaling gekomen waaruit dit 'atypische' bestaat, mogelijk omdat niet helder is wat 'typisch' oogcontact is, of bij alle 'neurotypische' volwassenen gesproken kan worden van 'typisch' oogcontact en of bij volwassenen met DSM-classificaties anders dan ASS mogelijk ook afwijkingen bij oogcontact zijn die een genuanceerder beeld geven van het oogcontact bij volwassenen met ASS. Afgezien van het stigmatiserende van de gebruikte terminologie, ondervinden veel volwassenen met ASS hinder van het verloop van hun oogcontact in het gehele sociale en maatschappelijke domein. Dat nog niet tot een afdoende duiding is gekomen van hun oogcontact en effectieve interventies daarbij, kan mogelijk worden verklaard omdat in onderzoek het perspectief van volwassenen met ASS nauwelijks is meegenomen, veelal niet holistisch te werk wordt gegaan en vrijwel geen onderzoek bekend is waarin volwassenen met ASS zelf wordt gevraagd naar hun wensen met betrekking tot (optimalisatie van) oogcontact.