Opleiding

Je staat voor een mentale uitdaging… wat heb je nodig?

Vanuit de media (dr. Phill, Dr. Rossie, Oprah) is er een beeld van hoe de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) werkt. Je gaat zitten en een behandelaar gaat je vertellen wat je moet doen om beter te worden. Dat is wat we horen, dat is wat we zien.
In de dagelijkse praktijk zien we echter dat mensen weinig beeld hebben bij de GGZ in het algemeen. Ze weten niet wat ze kunnen verwachten van behandeling en de mogelijkheden die er zijn. Ook weten mensen vaak niet uit wat voor behandelvormen ze kunnen kiezen. Op basis daarvan is het moeilijk voor mensen om te kiezen voor een behandelvorm die bij hen past en bij wat nodig is.
Het is belangrijk om onderzoek te doen naar de wensen en behoeften van de doelgroep met als doel om ze daardoor op de juiste manier te kunnen informeren over ons aanbod, zodat mensen zelf gemotiveerd kunnen kiezen.

Het betreft een kwalitatief onderzoek waarbij we in gesprek gaan met drie groepen: 

* mensen van Thubble, screeners van Thubble en (ex)-cliënten.
* mensen niet in behandeling zijn geweest bij Thubble maar wel zelf mentale problemen hebben ervaren. Zij zijn verbonden aan Thubble doordat ze hun ervaringen delen en hiermee andere mensen inspireren/helpen.
* Co-creators: mensen niet in behandeling zijn geweest bij Thubble maar wel zelf mentale problemen hebben ervaren. Ze zijn verbonden aan Thubble doordat ze hun ervaringen delen binnen de Thubble.Community en hiermee andere mensen inspireren/helpen. Daarnaast raadpleegt Thubble de co-creators ook voor marketingdoeleinden. 

Mind-Spring, voor en door vluchtelingen en asielzoekers.

Mind-Spring is een groepsinterventie gericht op de preventie van psychische gezondheid van statushouders. Mind-Spring heeft als doel de geestelijke gezondheid en psychosociale vaardigheden te verbeteren om het ontstaan of verergeren van psychische klachten te voorkomen en bij te dragen aan het integratieproces. Het maakt gebruik van bestaande methoden als psycho-educatie, stressreductie en empowerment. Naast de inhoud, is de wijze waarop het wordt aangeboden een belangrijk element van het programma. Door middel van het inzetten van een ervaringsdeskundige met een vluchtelingverhaal naast een zorgprofessional (GGZ-trainer) beoogd men de doelgroep beter te bereiken en kennis over psychische gezondheid over te dragen. Vluchtelingen en asielzoekers ervaren drempels bij het vragen om hulp en zijn onbekend met zorg zoals de GGZ. In de literatuur is weinig informatie bekend over ervaringsdeskundigheid bij de doelgroep met een vluchtelingenachtergrond. Het praktijkonderzoek moet een bijdrage leveren aan deze kennis. Het doel van deze studie is om bij Mind-Spring inzicht te krijgen in de ervaren meerwaarde en knelpunten over de inzet van de ervaringsdeskundige vanuit het perspectief van de GGZ-trainers, deelnemers en ervaringsdeskundigen zelf. De centrale vraag luidt dan ook: ‘Welke meerwaarde en knelpunten ervaren trainers en deelnemers van Mind-Spring bij de inzet van ervaringsdeskundigen?’ Het onderzoek kent een kwalitatieve onderzoeksstrategie waarbij door middel van diepte-interviews informatie wordt vergaard bij zowel deelnemers als trainers van Mind-Spring.

Insight into the role of religion on the experience of living with a suicidal family member.

Aanleiding
Uit onderzoek is gebleken dat het leven met een suïcidaal familielid ervaren wordt als grote last en impact heeft op veel verschillende levensgebieden. Tegelijkertijd is uit onderzoek gebleken dat steun door de familie een beschermende factor is bij suïcidepreventie. Religie is eveneens een beschermende factor voor suïcidaliteit, deels vanwege sterkere morele bezwaren. Deze morele bezwaren kunnen echter ook leiden tot stigma bij familieleden. Omdat stigma een destructieve werking kan hebben, is het belangrijk om te begrijpen hoe stigma werkt voor religieuze familieleden, Daarom  is het noodzakelijk te weten hoe hun religieuze overtuigingen hun ervaringen beïnvloeden en hoe zij religie gebruiken om betekenis te geven aan deze situatie, om hen zo goed mogelijk te begrijpen en te ondersteunen. Zo kan familie op hun beurt bijdragen aan het voorkomen van suïcide.

Zelfmanagement door middel van een signaleringsplan. Een thematische analyse naar wat er volgens de ervaring van patiënten met een psychotische stoornis in het signaleringsplan moet worden opgenomen om zelfmanagement op een zo adequaat mogelijke wijze ui

Aanleiding
Er is onderzoek geweest naar de ervaringen van patiënten, familie en professionals met het opstellen en gebruiken van een signaleringsplan (Van Meijel, 2003). Er is geen onderzoek gedaan naar wat volgens patiënten met een psychotische stoornis in het signaleringsplan moet worden opgenomen om zelfmanagement op een zo adequaat mogelijke wijze uit te voeren. Onderzoek naar dit onderwerp draagt bij aan evidence based practice omdat het inzicht geeft in patiëntenvoorkeuren.

Doelstelling
Het doel van het onderzoek is inzichtelijk maken wat er volgens de ervaring van patiënten met een psychotische stoornis in het signaleringsplan moet worden opgenomen om zelfmanagement op een zo adequaat mogelijke wijze uit te voeren.

Trauma focused treatment (EMDR) for parents of adolescents with autism spectrum disorder and severe and persistent behavioural problems: a pilot study

Research shows that rates of cooccurring emotional and behavioural problems are high in children and adolescents with autism spectrum disorder (ASD). Parents of children with ASD often report higher levels of parental stress. Understanding parental stress is crucial because increased parental stress also effects the wellbeing of their child. The study by Stewart et al (2016) shows that a significant amount of mothers of children with ASD have experienced traumatic events related to their childs ASD and reported post-traumatic stress disorder (according to the criteria by DSM-5), related to the behavioural problems of their child. Parents with PTSD are more likely to have parental problems, such as being less emotional available and perceiving their child more negatively, associated with emotional and behavioural problems in their child (Van Ee et al., 2016), leading to a vicious circle of increasing child’s behavioural problems and increasing parental stress.
In the current single case study parents who have PTSD related to adverse events they have experienced while raising a child with ASD are treated with EMDR. This study focuses on the effects of parents treatment on their child with ASD. The first aim of this study is to investigate whether the level of parental stress decreases and the level of mentalization and reflecting abilities increases post-treatment. The second aim of the present study is to investigate whether family functioning improves after EMDR-therapy. The third aim was to investigate whether behavioural and emotional problems of the child with ASD will decrease after their parents EMDR-therapy. 

 

Overwegingen van mensen met PTSS ten aanzien van de keuze voor een specifieke vorm van traumabehandeling: een kwalitatieve studie.

Inleiding:
Een posttraumatische stressstoornis (PTSS), is een psychiatrische aandoening die kan optreden na een traumatische of ingrijpende gebeurtenis. Van de Nederlandse bevolking geeft 80% aan minimaal eenmalig een traumatische gebeurtenis te hebben meegemaakt waarbij zij zijn blootgesteld aan daadwerkelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld (Lok et al., 2018). De kans om gedurende het leven PTSS te ontwikkelen wordt geschat op 7% en is hiermee een van de meest voorkomende psychiatrische aandoeningen in Nederland. Er zijn diverse evidence based behandelingen voor PTSS, die bestaan uit psychotherapie en/of medicatie. Alhoewel er diverse evidence based behandelmethoden bestaan voor de behandeling van PTSS, komt het in de klinische praktijk voor dat bepaalde methodes meer of minder worden gebruikt dan anderen (Bomyea & Lang, 2012). Het is van belang om behandeling voor PTSS verder te kunnen personaliseren, daarom is het nodig om inzicht te krijgen in de beweegredenen van patiënten om een keuze te maken voor een specifieke behandeling.

Perspectieven van GGZ-professionals op de toepasbaarheid en waarde van de lithiummeter voor de zorgpraktijk bij de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis: een kwalitatieve studie.

Aanleiding:
Lithium is een veelgebruikt medicijn in de behandeling van bipolaire stoornissen. Voor een veilig gebruik van het medicijn dienen GGZ-professionals de bloedspiegels van lithiumgebruikers goed te monitoren. Normaliter wordt dit in het laboratorium gedaan. De lithiummeter biedt het alternatief om de lithiumspiegel van een patiënt direct op locatie te meten via een vingerprik. Het resultaat volgt binnen 8 minuten. De lithiummeter heeft echter ook beperkingen, en een bepaling met dit apparaat is vijf keer zo duur als een lithiumbepaling via het laboratorium. Daarom is het van belang om de toepasbaarheid en waarde van de lithiummeter voor de zorgpraktijk te onderzoeken. (Ch 1)

Doel onderzoek:
Het doel van dit onderzoek is om de perspectieven van GGZ-professionals op de toepasbaarheid en waarde van de lithiummeter voor de zorgpraktijk bij de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis in kaart te brengen. (Ch 2)

Centrale vraagstelling en deelvragen:
Wat is het perspectief van GGZ-professionals op de toepasbaarheid en waarde van de lithiummeter voor de zorgpraktijk bij de behandeling van patiënten met een bipolaire stoornis?

The lived experiences of patient with bipolar disorders with adapting their livestyle tot their condition.

Inleiding en doel
Een bipolaire stoornis (BS) is een chronische aandoening die functionele en psychologische beperkingen geeft. De behandeling bestaat voornamelijk uit medicatie, psycho-educatie en het bevorderen van zelfmanagement door middel van leefstijladviezen. Leefstijlaanpassingen met betrekking tot voeding, roken, alcohol, drugs, lichamelijke beweging, seksueel gedraag, reizen, regelmatig leven en slaap zijn effectief voor patiënten met BS. Het aanpassen van leefstijl leidt tot een grotere kwaliteit van leven en vermindering van symptomen, maar de ene patiënt slaagt er beter in om zijn leefstijl aan te passen dan de andere patiënt. Kennis over de ervaringen van patiënten met het aanpassen van hun leefstijl kan behandelaren helpen om hun begeleiding nog beter te laten aansluiten bij de behoeften van de patiënt.  

Exploring Therapists’ Perspectives on Acute Dynamic Risk Factors in Intimate Partner Violence by Family‑Only Perpetrators: A Qualitative Study

Purpose: Intimate partner violence (IPV) is a common problem with severe consequences for perpetrators, their families, and society. IPV perpetrators are a heterogeneous group of which family-only (FO) perpetrators constitute the largest subgroup. Previous research suggests that FO perpetrators have a different risk profile than other subgroups, implying that they may require different treatment programs. Most studies have focused on static and stable risk factors; however, acute dynamic risk factors (ADRFs) – i.e., factors that constitute an immediate risk for offending behavior and can rapidly change over hours, days, or weeks – help to explain offending behavior. This study explored ADRFs for FO perpetration according to therapists to improve our understanding of FO perpetration, which could help in intervention planning for this group.

Methods: Ten semi-structured interviews were conducted with therapists in a community setting. Each interview included one FO case. Data were analyzed using a combination of inductive and deductive thematic analysis.

Results: ADRFs were categorized into personal and situational factors. Six ADRFs for FO perpetration were identified: mental exhaustion, perceived cheating/abandonment, psychological hurt, uncertainty, feelings of inadequacy, and intoxication. According to therapists, the dyadic relationship between the perpetrator and their partner plays an important role. Additionally, ADRFs were found to be often interconnected with each other and with static and stable risk factors.

Conclusions: This exploratory study revealed which types of ADRFs might play a role in FO perpetration. Future research should focus on the interrelationships between ADRFs and their relation to static and stable dynamic risk factors.

Fasen van het herstelproces bij patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening in de praktijk.

1 Probleemanalyse  
Er zijn veel veranderingen geweest binnen de GGZ in de afgelopen decennia. De afgelopen tien jaar is er onder andere aandacht besteed aan de ambulantisering, het verplaatsen van de intramurale zorg naar ambulante zorg. Het streven van de ambulantisering is het realiseren van minder en kortere psychiatrische opnamen met een gelijktijdige verbetering van de ambulante zorg en ondersteuning van mensen met een psychische aandoening thuis (Trimbos, 2019b). Het doel is de psychische zorg thuis te verlenen, in de eigen, vertrouwelijke omgeving van de patiënt, zodat de patiënt in de maatschappij kan participeren. Er wordt gesteld dat ambulantisering positieve kenmerken met zich mee brengt ten opzichte van een intramurale opname. Binnen de ambulante zorgverlening kan er beter aangesloten worden op de sociale, maatschappelijke rollen en het netwerk van de persoon. Effectieve en adequate coping kan gemakkelijker aangeleerd worden in het dagelijks leven van de persoon. Daarnaast zouden klinische opnames stigmatiserend en hospitaliserend zijn ten opzichte van ambulante zorg (Prinsen, z.d.).   
Als resultaat van de ambulantisering wordt er een afname van intramurale zorg gezien. In 2012 waren er in totaal 18.700 klinische opnameplaatsen beschikbaar, zoals beschermde woonvormen, langdurige opname afdelingen en eerstelijnsbedden. Door de continue afname telde het land in 2018 een totaal aantal van 14.250 klinische opnameplekken binnen de GGZ (Trimbos, 2019a). Nederland telt totaal ongeveer 280.000 mensen met EPA, waarvan het grootste gedeelte op zichzelf en onder behandeling staan bij een FACT-team (Flexible Assertive Community Treatment) of IHT-team (Intensive Home Treatment) (Trimbos, 2019a).  
De afname van klinische opnameplaatsen is een gevolg van de ambulantisering binnen de GGZ. Echter blijkt dat de landelijke toename van ambulante zorg en hierbij de verbetering van de ambulante zorg, achter blijft op de mate van afname van de zorgverlening in de klinische setting. Dit resulteert in te weinig ambulante zorg ten opzichte van de benodigde hoeveelheid zorg. Hierdoor is er een groter risico op terugval. De ambulantisering van de zorgverlening brengt ook met zich mee dat klinische opname bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen pas later plaatsvindt, waardoor er toename van complexiteit en zorgzwaarte wordt gezien binnen de klinische setting (Kroon et al., 2021).   

Pagina's